Eerherstel voor de eer. Op weg naar een sociale meritocratie
Geld is bijzaak
Eerherstel, aldus de reactie van journalist Charles Groenhuijsen op het vonnis van de Hilversumse kantonrechter, die de NOS verplichtte om hem € 489.375 te vergoeden voor zijn ontslag. Het was tekenend dat Groenhuijsen (die eerder door Journaal-baas Laroes een zakkenvuller was genoemd) zijn goede naam op deze manier met het slijk der aarde dacht te kunnen schoonwassen. Die Amerikaanse reactie van de voormalige Amerika-correspondent bewees nog eens dat geld en eer in onze vercommercialiseerde cultuur in een perverse relatie tot elkaar zijn komen te staan. Dezelfde krant die berichtte over deze beschamende afkoop bevatte een opvallend pleidooi voor financiële prikkels in het voortgezet onderwijs. De vijandige houding tegen leren en je best doen zou wellicht verdwijnen als studenten via een premiestelsel zouden worden geprikkeld om goede cijfers niet langer als nerdy maar als cool te zien. Zij zouden het leren dan gaan zien als serieus “werk”, waarmee net als in de maatschappij geld verdiend wordt, en wel in verhouding tot de geleverde prestaties. En geld brengt, ook onder jongeren, sociale status met zich mee (NRC Handelsblad 18.2.06).
Maar dat is de omgekeerde wereld. Geld is bijzaak, het gaat om de eer, zo vatte Olympisch schaatskampioen Enrico Fabris de zuivere sportmentaliteit onlangs nog eens samen. Natuurlijk stond de commercie meteen te trappelen, en kon hij zijn gouden plak spoedig verzilveren via lucratieve sponsorcontracten. Ook in de sport zijn eer en geld op een vaak perverse manier met elkaar verknoopt. Niettemin verwoordde de schaatser een ideale ethische volgorde die ook in andere maatschappelijke sectoren als voorbeeldig zou kunnen gelden. Immateriële prikkels zoals eer, erkenning, prestige en status zouden daarom van hun materialistische verankering moeten worden losgemaakt. De valse eerbaarheid van het geld moet worden ondermijnd, om ruimte te maken voor een herwaardering van het zuivere eermotief.
Voor een dergelijk eerherstel van de eer kan men onder andere te rade gaan bij de klassieke of classicistische eerethiek, die hier te lande bijvoorbeeld wordt aangeprezen door neoconservatieven als Kinneging en Spruyt. Dit klassieke eerbegrip biedt een welkome ontsnapping uit ingeburgerde maar simplistische tegenstellingen als die tussen eigenbelang en algemeen belang, materiële en morele prikkels of markt en moraal. Het zuivert het prestatiemodel van plat-materialistische motieven, zonder de schaduwzijden van de prestatiecultuur zelf te verdoezelen. Een rehabilitatie van de eerethiek verdiept bovendien het democratisch ideaal, dat de gelijkheid niet moet verabsoluteren maar juist op zoek moet gaan naar een nieuwe balans tussen gelijkheid en ongelijkheid.
Eerzucht en hebzucht
Het probleem ligt dus minder in de eerzucht dan in de op geld en goederen gerichte hebzucht, en in de substitutie van de laatste voor de eerste. En het probleem van de eerzucht is niet zozeer dat zij in moreel opzicht complex en dubbelzinnig is, maar dat eigenwaarde en identiteit routineus worden vertaald in materiële eigendom en rijkdom. In de huidige mediacultuur met zijn cultus van de persoonlijke roem is rijkdom in elk geval niet langer de enige manier om publieke zichtbaarheid en erkenning te verwerven. Maatschappelijk succes wordt tegenwoordig ook afgemeten aan de voor iedereen zichtbare aanwezigheid als publieke figuur (als Bekende Nederlander) op de tv en in andere media.
Maar net als bij grote vermogens of riante salarissen is het ook hier natuurlijk de vraag of men die status en de bijbehorende inkomsten wel (zelf) heeft verdiend. Zonder de media-roem daarom als model of als doel te willen aanprijzen, kunnen we ons afvragen of het eergevoel en de hang naar succes niet meer kunnen worden aangesproken wanneer we het beste in mensen naar boven willen halen. Die nieuwe openbaarheid suggereert in elk geval de mogelijkheid om de erkennings-schaarste te reguleren via een permanent publiek debat, waarbij hiërarchieën van verdienste worden vastgesteld aan de hand van de publieke toekenning van eerbewijzen. Het eergevoel en de sociale erkenning (het psychisch inkomen van de openlijke waardering door anderen, door de gemeenschap) zou dan voor een deel de plaats innemen van de waardebepaling door een anonieme markt, die in feite het recht van de sterkste (de rijkste) legitimeert.
Prijzen komt dan in de plaats van beprijzen, en de sociale erkenning van waarde en verdienste wordt dan bij voorkeur uitgedrukt in openbare loftuitingen, gunstige publiciteit, eervolle vermeldingen, titels, bekroningen, hoge onderscheidingen, medailles, oorkonden, bekers, lintjes, citatiescores, hoge noteringen op hitlijsten of in top honderds: niet van de rijksten maar van de besten en meest verdienstelijken op elk gebied. Een lintje of medaille is natuurlijk niet meer dan een stukje stof of metaal, maar tegelijkertijd zijn zij de materialisering van een geconcentreerde kwaliteitsbeoordeling door een hele gemeenschap. Een realistische visie op de menselijke natuur moet dan ook niet blijven hangen in de onvruchtbare tegenstelling tussen morele en materiële prikkels. Zij moet daarentegen bevorderen dat bij de motivatie van ondernemende en vernieuwingsgezinde individuen een ander en beter prijsmechanisme gaat gelden: niet dat van loven en bieden, maar dat van loven en prijzen.
Perverse effecten
Volgens de econoom Bruno Frey hebben zijn collegas de impact van deze niet-materiële extrinsieke vorm van beloning ten onrechte verwaarloosd. Hij constateert dat reputationele prikkels zich vaak omgekeerd evenredig verhouden tot traditionele marktprikkels. Hoe minder de markt in staat is om distinctie te verschaffen (met name via inkomensverschillen), des te groter is de behoefte aan eerbewijzen. Naarmate de inkomens- en vermogensverdeling gelijker is, zullen individuen dus eerder distinctie zoeken in de vorm van titels en onderscheidingen.
Vandaar het uitgebreide stelsel van onderscheidingen dat bestond in communistische landen, met als bekendste die van Held van de Arbeid. In de snel liberaliserende postcommunistische landen is de vraag naar dergelijke staatsprijzen verminderd en is distinctie via marktinkomen steeds belangrijker geworden. Ook overwegend sociaal-democratische landen met een zekere aversie tegen al te grote inkomensverschillen (zoals de Scandinavische landen) kennen een relatief gedetailleerd onderscheidingenstelsel. Vóór de neoliberale revolutie van Thatcher was het honours system in Engeland uitgebreider dan daarna. De VS, waar de marktlogica sterker heerst, kennen relatief weinig staatsoorkonden, anders dan het meer socialistische Frankrijk, waar jaarlijks vier maal zoveel decoraties worden uitgereikt als in het buurland Engeland. Hoe rijker bovendien een land is, des te groter de vraag naar onderscheidingen. Dit heeft wellicht te maken met de verminderde meeropbrengst van geldelijke beloningen en de sociale distinctie die zij opleveren, zoals ook blijkt uit vergelijkend economisch onderzoek naar de relatie tussen geld en geluk.
Tenslotte kan de monetaire compensatie onder bepaalde omstandigheden de intrinsieke motivatie verdrijven. Dit perverse effect van monetaire prikkels is groter naarmate de intrinsieke motivatie in een bepaalde beroepssector zwaarder weegt, zoals in de klassieke professies. Eerbewijzen en onderscheidingen zijn dan relatief efficiënter. Frey noemt in dit verband het vrijwilligerswerk en de humanitaire sectoren, de academie, de kunst, het leger en delen van de publieke dienstverlening. Onderscheidingen vormen ook een betere prikkel dan geld wanneer taken moeilijk vooraf te specificeren of te controleren zijn, en wanneer de prestatie niet in precieze getallen kan worden gemeten. In de publieke sector is het bijvoorbeeld moeilijker om contracten gedetailleerd te specificeren dan in de private sector.
Omgekeerd evenredig
Freys empirische constateringen geven aanleiding tot een interessante normatieve conclusie. Als de vraag naar eerbewijzen afneemt naarmate markt- en inkomensprikkels prominenter worden, kan men de laatste ook bewust proberen terug te dringen ten gunste van de eerste. Men kan hier denken aan een verhoging van de algemene welvaart, aangezien de monetaire prikkel boven een bepaald welstandsniveau zijn kracht verliest. Een ander voor de hand liggend middel (dat relatief onafhankelijk is van het eerste) is een meer gelijke verdeling van inkomens en vermogens. Een grotere nadruk op eerbewijzen zou in elk geval het perverse verdringingseffect van monetaire beloningen tegengaan, zodat de intrinsieke motivatie voor bepaalde waardevolle activiteiten (bijvoorbeeld in de vorm van beroepseer of professionele trots) in ere wordt hersteld.
Dat het economisch prijsmechanisme gedeeltelijk buiten werking wordt gesteld houdt natuurlijk niet in dat prijzen en onderscheidingen vervolgens door een autoritaire staat moeten worden uitgereikt, op grond van een enkelvoudige ladder van verdienste. De koude vergelijking door de markt moet niet worden vervangen door een even koude vergelijking door de staat. Een meer democratische versie van de meritocratie moet streven naar een gedecentraliseerde en pluralistische economie van de distinctie, waarbij erkenning en onderscheiding de telkens opnieuw vast te stellen uitkomsten zijn van een permanent maatschappelijk debat. Omdat dit warme debat wordt gevoerd binnen een veelheid van maatschappelijke sectoren die uiteenlopende definities van merite en status hanteren, worden statusmonopolies zoveel mogelijk vermeden.
Op die manier verandert de maatschappelijke functiewaardering in een democratisch proces, waarin de waarde (en de prijs) van verschillende beroepen en activiteiten voortdurend kritisch tegen het licht wordt gehouden. Dat debat kan bijvoorbeeld als uitkomst hebben dat verzorgende functies hoger en managementfuncties lager moeten worden gewaardeerd dan de huidige marktconforme statusladder bepaalt. Dat betekent niet dat prestigeprikkels altijd in de plaats moeten komen van financiële prikkels, maar dat zij beter met elkaar in balans worden gebracht. Aan de onderkant van de arbeidsmarkt zou de eer van het werk dan ook mede gestalte moeten krijgen via betere beloningen, terwijl aan de toppen ervan het eergevoel juist zou moeten aansturen op financiële versobering en nivellering.
De klassieke eerethiek
Een zuivere economie van de eer kan verder gestalte krijgen door te rade te gaan bij een traditie die althans in progressieve kring tot nu toe weinig aandacht heeft getrokken: die van de klassieke of classicistische eerethiek. Het is de moeite waard om die traditie te bevrijden van het routineuze wantrouwen dat haar lange tijd ten deel is gevallen. Dat wantrouwen werd vanzelfsprekend gevoed door een aristocratische of hiërarchische denkwijze die zich slecht verdraagt met de passie voor gelijkheid die via het christendom en de Verlichting gemeengoed is geworden in de westerse cultuur. In een premoderne eerethiek zoals de Romeinse vormt het streven naar roem en de zorg om de eigen reputatie nog een belangrijke aansporing tot deugd. Het excelleren in hoge politieke ambten of op het slagveld veronderstelt een ambitie tot voortreffelijkheid en leiderschap die in een meer egalitaire cultuur, die streeft naar een gelijke verdeling van erkenning en status, al gauw onder verdenking komt te staan.
Het is juist vanwege die aristocratische inslag dat de klassieke eerethiek een kritische aanvulling kan zijn op het gevestigde democratische gelijkheidsdenken, en een alternatief biedt voor meer communitaristische en consensusgerichte benaderingen van eer en erkenning. Het is ook met deze strekking dat de neoconservatieven haar recentelijk weer tot leven hebben gewekt. Volgens Kinneging is de eerethiek sterk getaboeïseerd door het voortwoekerende relativisme en egalitarisme, die het grotendeels ondergronds hebben gedreven en monddood hebben gemaakt. Er resteren slechts enkele pockets waar zij nog openlijk wordt beleden, zij het in primitieve vorm: in het leger, door voetbalfans, in de onderwereld, en in bepaalde groepen van immigranten. Maar net als seks is het streven naar eer niet uit te bannen: het behoort nu eenmaal tot de menselijke natuur.
Ook zijn leerling Olsthoorn gelooft dat de moderne samenleving tot haar schade niet langer een uitlaatklep biedt voor het universeel-menselijke streven naar distinctie. Weinigen komen er tegenwoordig voor uit dat zij worden gedreven door de zucht naar roem. Maar voor een moralist als Cicero was het nog vanzelfsprekend dat zonder lof of glorie iedere aansporing verviel om hoog te reiken. Ook pioniers van het liberalisme als Locke, Mandeville, Smith en Hume ruimden nog een grote plaats in voor het streven naar eer en reputatie. Mandeville zag de ijdelheid als een indirect mechanisme om het goede te bewerkstelligen. Ook volgens Hume (die toegaf dat de love of literary fame zijn overheersende passie was) had de hang naar lof een niet te onderschatten invloed op het menselijk gedrag. Andermans oordeel en de zorg om een goede naam konden de zelfzuchtige passies beter beteugelen dan de zwak ontwikkelde sympathie voor het publieke belang. Ook in Smiths beroemde metafoor van de onzichtbare hand werden ijdelheid en deugd op die manier nauw met elkaar verbonden.
Olsthoorn verdedigt een prudent of klassiek liberalisme dat schippert tussen het Platoonse ideaal dat de deugd zijn eigen beloning vormt, en het realistische besef dat niemand daar echt warm voor loopt of aan die hoge eis kan voldoen. De klassieke denkers suggereren dat we kunnen uitstijgen boven het platte eigenbelang, zonder een onhaalbaar ideaal van perfecte deugdzaamheid voor te schrijven. Het ideaal van volstrekte autonomie is wellicht te hoog gegrepen, maar daarom hoeven we nog niet te vervallen in conformisme of te buigen voor de publieke opinie. We dienen rekening te houden met de menselijke natuur, en moeten dus inspelen op zijn onuitroeibare ijdelheid. Dat is echter geen vrijbrief om zonder meer onze natuurlijke neigingen te volgen. Integendeel: moeten we rechtvaardig zijn, aldus Olsthoorn, maar niet per se uit liefde voor de rechtvaardigheid.
Een sociale meritocratie
De ambitie om verschil te maken en een stempel te willen drukken op je omgeving is een krachtige en noodzakelijke prikkel om de risicos te aanvaarden van elk werkelijk leiderschap en ondernemerschap. Die eerzucht kan goed samengaan met een vorm van roepings- en plichtsbesef dat juist ingaat tegen de heersende opinie en de gevestigde machten. Het eergevoel dicht op die manier de kloof tussen passie en principe en overstijgt het platte eigenbelang. Het is individualistisch, maar sluit samenwerking en solidariteit niet uit. Tegelijkertijd moet men niet de ogen sluiten voor de intrinsieke weerbarstigheid en onhandelbaarheid van de eerzucht. Ambitieuze mensen zijn even lastig voor de politieke gemeenschap als onmisbaar voor haar voortbestaan en bloei. De eerzucht moet evenzeer worden gewantrouwd als bewonderd: zij is tegelijkertijd deugdelijk en gevaarlijk. Maar in dit aardse tranendal krijgen we het goede nu eenmaal niet zonder het slechte; en misschien is het voordeel van de eer boven de deugd precies in deze morele ambivalentie gelegen.
Het is in die zin dat een eervolle democratie een nieuwe balans moet zoeken tussen gelijkheid en ongelijkheid en tussen concurrentie en solidariteit, om een werkelijk sociale meritocratie te kunnen vestigen. Ook de democratie is een heerschappij van elites, van de besten. Het eermotief is een legitieme prikkel om de beste mensen en het beste in mensen naar boven te halen. Maar het bijzondere van de democratie is dat die besten komen bovendrijven in een eer-lijke concurrentie waarin het geld niet langer de allesbepalende rol speelt. Waarin met andere woorden verdienste niet langer wordt bepaald door de markt, maar door een onafgebroken democratisch debat over datgene wat we waardevol en eervol vinden.
Wie meent dat dit ideaal van een sociale meritocratie fonkelnieuw is, past enige bescheidenheid. Het is al met zoveel woorden te vinden in het beroemde, door Hein Vos en Joop den Uyl geredigeerde Planrapport De weg naar vrijheid uit 1951. De auteurs bepleiten onder meer een beloningssysteem dat een redelijk minimumbestaan waarborgt voor ieder die werken wil, maar dat daarnaast voldoende prikkels bevat voor het leveren van topprestaties. Dat houdt de vaststelling in van een uniform grond- of minimumloon, maar ook van een maximumgrens. Men mag hierbij in de berekening betrekken, aldus de auteurs, dat de beloning voor een groot deel van de arbeid waarmee thans vaak uitzonderlijk hoge inkomens worden verdiend, in andere vorm wordt genoten dan in geld, nl. in eer, macht en aanzien. Bij het bepalen van het maximum zou de beloning van de leiders van de grote overheidsbedrijven en de hoogste staatsfunctionarissen de leidraad moeten vormen.
Helaas is anno 2006 het inkomen van de eerste groep mede door allerlei privatiseringen ernstig uit de hand gelopen. Maar daar staat het groeiende besef tegenover dat hier iets grondig mis is, en dat het salaris van de minister-president zo ongeveer de drempel zou moeten zijn waar het geld ophoudt en de eer begint.
Een uitgebreide versie van dit stuk verscheen in het maartnummer van Socialisme & Democratie, het tijdschrift van de Wiardi Beckman Stichting.
