Wie zorgt er voor de kinderen?
Akira van twaalf zit met zijn moeder in een fastfoodrestaurent in Tokio. Ze is alweer op weg om hem en haar andere kinderen alleen te laten. Ze moet werken zegt ze. De vorige keer dat ze ging werken, bleef ze een maand weg.Wanneer mogen we nou weer naar school?, vraagt Akira.
Wat zeur je toch over school?, zegt zijn moeder. Een heleboel beroemde mensen zijn ook nooit naar school geweest.
Wie dan, wil Akira weten. Hij kijkt strak voor zich uit, en zegt dan: Je bent egoïstisch, mama.
Weet jij wie egoïstisch is? bitst zijn moeder. Je vader die zomaar uit ons leven verdween. Mag ik dan niet een beetje gelukkig zijn?.
Dit is een kleine passage uit de film Nobody Knows (2004) van de Japanse regisseur Kore-Eda Hirokazu. De film gaat over drie kinderen die door hun moeder aan hun lot worden overgelaten. Ren van hen gaat dood door ondervoeding. In Nobody Knows zijn de kinderen volwassen en is de moeder het kind. Alles is omgekeerd. Niet de kinderen zijn egocentrisch, dat is de moeder.
In datzelfde jaar verscheen ook Demi Tari, een film over hetzelfde thema, maar dan over kinderen in Frankrijk. We zien ze hun gang gaan. Ze eten chocolade, ze glippen de bioscoop binnen, ze bedelen, stelen en rennen verkleed over straat. Af en toe geeft een gedragen voice-over van een van de klaarblijkelijk volwassen geworden kinderen commentaar: s Nachts gingen we naar buiten. s Zomers om een watergevecht te houden. s Winters om ziek te worden. Hoewel we de moeder nooit in beeld krijgen, begrijpen we van de voice-over dat ook zij af en toe thuiskomt. Dan is het feest, net als in Nobody Knows. Ik ben thuis, roept daar de moeder koket, als ze laat in de nacht thuiskomt. Ze tilt een plastic zak op. Hier is shusi, zegt ze tegen Akira, die met zijn hoofd op tafel slaapt. Ze maakt de anderen kinderen wakker: Ik ben thuis, miauw.
Die behaagzucht van kijk-mij-eens-leuk–wezen en het onbelemmerde hedonisme van mag–ik-dan-nooit–een-pleziertje-hebben beweegt de moeders in beide films. En plots besef je dat deze films deel uit maken van een kleine vloedgolf, allemaal over in de steek gelaten en verwaarloosde kinderen: The heart is deceitful above all things (2004), Thirteen (2003), Lilja 4-ever (2002), Gummo (1997). Met veel van deze kinderen loopt het slecht af. Lilja wordt door een loverboy naar Zweden gelokt en komt in de vrouwenhandel terecht. Aan het eind van de film pleegt ze zelfmoord. De zeven jaar oude Jerimiah wordt door zijn tienermoeder van de ene naar de andere minnaar gesleept en ondertussen geschopt en geslagen.
De makers van deze films zijn stuk voor stuk opgegroeid in de jaren zeventig of tachtig. Om zich heen of in eigen gezin maakten ze mee hoe hard vaders en moeders allebei gingen werken, hoe gemakkelijk ze scheidden en hoe klakkeloos ze daarbij hun kinderen naar elkaar afschoven om zichzelf in alle vrijheid te kunnen ontplooien. In Nobody Knows zijn de kinderen van verschillende vaders. Als de situatie nijpend wordt, gaat Akira zijn moeders minnaars langs om geld te lenen. De eerste wil weten of zijn jongste dochter, Yuki, op hem lijkt. Jazeker, zegt Akira gretig en verdient zo 5.000 yen. De tweede zegt dat hij zelf helemaal geen geld heeft en leent wat muntstukken van Akira voor de snoepautomaat. Ik weet zeker dat Yuki niet van mij is, zegt hij nog. Ik droeg altijd een condoom als ik met je moeder vrijde. Zo begrijpen we hoe de relatie tussen de moeder, haar minnaars en hun kinderen is. De moeder chanteert haar minnaars met haar kinderen door in het midden te laten wie ze zijn.
Wat moeder en minnaars bindt is geen band van liefde, maar een van wederzijds welbegrepen eigenbelang. De kinderen spelen voor de ouders geen rol van betekenis. Zo nonchalant als de ouders met hun kinderen omgaan, zo vanzelfsprekend haken de kinderen naar hun liefde. De wereld der volwassen blijkt een losgeslagen bende liefdeloze genotzoekers die voornamelijk aan zichzelf denken.
Behalve de films zijn er ook romans. Denk bijvoorbeeld aan Elementaire Deeltjes (1998, 1999) van Michel Houellebecq, of aan de non-fictie verslagen van de Engelse psychiater Theodore Dalrymple over het Leven aan de Onderkant (2001, 2004). Steeds opnieuw gebroken gezinnen, verweesd opgroeiende kinderen en seriële huwelijken. Het is wat de auteurs betreft een natuurlijk gevolg van de seksuele revolutie van de jaren zestig, die zich van generatie op generatie lijkt te verhevigen. De kranten en weekbladen staan tegenwoordig vol met verhalen over seks via internet, over twaalfjarige kinderen die zich uitkleden voor de webcam, over Amerikaanse hiphopclips van MTV waarin alle meisjes hoeren zijn, smachtend naar pimps met veel blingbling. We lezen regelmatig over groepsverkrachtingen in de grote steden. Velen zijn bezorgd over de toename van gedwongen seks onder jongeren en het gemak waarmee seks geruild wordt voor geld. Westerse samenlevingen zijn harder, agressiever en gewelddadiger geworden.
Onlangs verscheen een boek dat deze ontwikkelingen op onverwachte wijze in een breder perspectief plaatst: Between Sex and Power: Family in the world 1900-2000 (2004). De auteur is Göran Therborn, ooit marxist, nu een socioloog die in Cambridge doceert. In dit achthonderd paginas tellende geschrift behandelt Therborn de geschiedenis van alle bestaande familie-systemen in de wereld. Het is de meest uitvoerige gezinsgeschiedenis van de twintigste eeuw. Naast cijfermateriaal heeft Therbron in zijn research tal van romans, huwelijksadvertenties, toneelstukken, films en memoires verwerkt.
Zijn onderzoek bevestigt wat de boven genoemde films en romans al zeiden. Een paar cijfers ter illustratie: in 1960 was 70 procent van de vrouwen in de VS gehuwd. In 2000 was dat slechts 23 procent. In West Europa is in 40 jaar tijd het aantal buitenechtelijke kinderen met vele tientallen procenten gegroeid: van 1.6 naar 31.8 procent in Ierland, van 1.4 naar 25 procent in Nederland en van 3.7 naar 49 procent in Noorwegen. Dit is wat de seksuele revolutie ons gebracht heeft, aldus Therborn: een lange periode van seks voor het huwelijk en een veelheid van seksuele partners tijdens het leven. Dat verschijnsel wordt zowel in statistische als morele zin tegenwoordig normaal geacht. Dertig jaar na de seksuele revolutie is bijna 70 procent van de Zweedse vrouwen die van een kind bevallen, ongehuwd. Een meerderheid daarvan woont samen met een partner, een minderheid leeft op zichzelf.
Sinds de jaren zeventig lijkt het huwelijk in de rijke landen op zijn retour. De beste tijd voor het huwelijk in Europa lag tussen 1930 en 1960, toen vrijwel alle seks binnen het huwelijk plaatsvond en er verhoudingsgewijs weinig buitenechtelijke kinderen waren. Dat het huwelijk op zijn retour is wil echter niet zeggen dat hetzelfde geldt voor het standaardgezin. Integendeel. Als we ons tot Nederland beperken, groeit de meerderheid van kinderen nog steeds op in een kostwinnersgezin met een betaald werkende vader en een verzorgende moeder die hooguit in een kleine deeltijdbaan erbij werkt. We spreken tegenwoordig dikwijls van tweeverdienersgezinnen, maar dat is een illusie. Het gaat voor het overgrote deel om ouderwetse kostwinnersgezinnen. Slechts minder dan vijf procent van de kinderen heeft een moeder met een fulltime baan en meer dan de helft heeft een moeder die helemaal niet betaald werkt.
Het eenoudergezin is de enige serieuze concurrent van het vader-moeder-gezin. De geschiedenis van de commune als alternatief was kort en de vader-vader of moeder-moeder-gezinnen krijgen weliswaar veel publiciteit, maar getalsmatig stijgen deze gezinsvormen niet boven het halve procent uit. Daarbij komt dat bijna 90 procent van de eenoudergezinnen na een periode van vijf jaar is overgegaan in een situatie met twee ouders.
De crisis van het gezin uit de films en romans hierboven bestaat weliswaar, maar hij voltrekt zich in de marges van de samenleving. Er bestaat in dat opzicht een schril contrast tussen de feiten en de publieke perceptie van die feiten. De crisis van het gezin zit voornamelijk tussen de oren. Feitelijk gaat het best goed met het gezin. Het zijn eigenlijk alleen degenen die nog een appeltje te schillen hebben met de jaren zestig, die van crisis spreken.
Wie het werk van Therborn leest, begrijpt echter dat de veranderingen lang voor de jaren zestig begonnen. Ten eerste hielden de aristocraten en onderklassen van Europa er al veel langer een lossere seksuele moraal op na. Ten tweede zijn de beide wereldoorlogen minstens zo invloedrijk op onze opvattingen over het gezin geweest als de revolutie van de jaren zestig. Het was met name als gevolg van de oorlogen dat de religie in Europa haar greep op het dagelijks leven verloor. Hier en daar werden mannen en vrouwen na de eerste wereldoorlog voor het eerst elkaars legale gelijken en werd voorzichtig de macht van de vaders aangetast. Dat begon in Zweden, daarna volgden andere landen. Het meest ingrijpend was echter de oktoberrevolutie.
Na de communistische machtsovername werden patriarchale instituties in Rusland tot de grond toe afgebroken. Hetzelfde gebeurde in China na de tweede wereldoorlog. Zeker op het vlak van de gezinspolitiek trok de Russische revolutie als een schokgolf door de wereld heen. In Japan werd onder druk van de Amerikaanse bezetters de legale gelijkheid van man en vrouw zelfs tot grondwetsartikel verheven. In de westerse wereld heeft het feminisme volgens Therborn weliswaar enige invloed gehad, maar wereldwijd zijn het vooral revoluties en oorlogen geweest die de verhoudingen tussen de seksen fundamenteel hebben veranderd. De grote verliezer van de twintigste eeuw is dan ook het patriarchaat geweest: de macht van de vaders is er nog, maar hij is niet vanzelfsprekend meer. Het grondigst werd de macht van het patriarchaat in Westerse en communistische landen afgebroken, maar ook in India en de Arabische wereld staan patriarchale instituties inmiddels onder druk.
Voor zover er sprake is van een crisis van het gezin, werd die dus lang voor de jaren zestig aangekondigd. Oorlogen en revoluties riepen al veel eerder de vraag op wie er de baas is over het gezin. Plots begonnen vrouwen zich tegen de institutioneel verankerde macht van de man te keren, die - ook als hij afwezig was - via de arm van de wet over het gezin regeerde. Met name in seculiere kringen werd het huwelijk niet langer zaligmakend geacht. Daarna duurde het niet lang meer of er ontstonden ook discussies over de vraag wie eigenlijk het recht had om te bepalen welk soort paarvorming binnen en tussen de seksen legitiem was, en wie uitmaakte hoeveel kinderen daaruit voort dienden te komen.
Die vragen zijn in de loop van de twintigste eeuw alleen maar prangender geworden. Daarbij komt dat, los van het gevecht tegen het patriarchaat, een wereldwijde revolutie in geboortecontrole van onderop heeft plaatsgevonden. Het fascinerend is dat die revolutie zich onvoorzien en onbedoeld heeft voltrokken. Vanaf 1970 geldt wereldwijd (met uitzondering van bepaalde delen van Afrika) dat mensen minder kinderen verwekken die langer blijven leven. Aanvankelijk werd dat, zoals in China, van bovenaf afgedwongen. Maar op veel andere plaatsten, bijvoorbeeld in Zuid Amerika, gebeurde dat spontaan. Ook in de derde wereld krijgt de gemiddelde vrouw tegenwoordig niet meer dan twee á drie kinderen. Wereldwijd zijn mensen er in enkele decennia van overtuigd geraakt, dat ze de natuur de baas kunnen en dat het aan hen is te bepalen hoeveel kinderen ze krijgen. Zonder deze spontane kentering in de wijze van voortplanting, mogelijk gemaakt door moderne medische technieken, zou de wereld nu waarschijnlijk rond de twee miljard zielen tellen. Geboorte, de vraag naar hoeveel kinderen men wil en het tijdstip waarop, is meer dan ooit een politieke zaak geworden: niet alleen van overheden, ook een politieke zaak van gezinnen.
Deze twee ontwikkelingen - de afnemende macht van het patriarchaat en de geboortecontrole van onderop - hebben ons denken over het gezin en de relatie tussen man en vrouw fundamenteel veranderd. Het gezin bestaat nog. Het gaat zelfs goed met het gezin, maar we beseffen sterker dan tevoren dat een gezin uit mannen, vrouwen, en kinderen bestaat die tegenstrijdige wensen, verlangens en erecodes hebben en wier noden toch gelijkelijk beschermd moeten worden. De natuurlijke arbeidsdeling binnen het gezin is door een politieke vervangen: het is geen uitgemaakte zaak meer wie van de partners zorgt en wie werkt. Het is niet duidelijk meer wat de partners van elkaar mogen verwachten: in veel gezinnen is de vrouw nog steeds dankbaar als hij zorgtaken overneemt, in plaats van dat ze dat beschouwt als evengoed zijn taak. De meeste mannen binnen het gezin zijn kostwinners, maar de macht die ze daaraan ontlenen wordt niet op voorhand door politie en justitie beschermd. Aan vrouwen vallen ook niet langer automatisch alle zorgtaken toe. Tal van vrouwen zoeken tegenwoordig liever emplooi buitenshuis en stellen het krijgen van kinderen ter wille van hun carrière uit. En kinderen hebben recht op zorg en een stabiele leefomgeving, wie hun biologische of niet-biologische verzorgers ook mogen zijn.
Gezinnen vallen sinds de jaren zeventig regelmatig uit elkaar. Er zijn veel echtscheidingen, maar de alles-of-niets-scheiding van de babyboomers is op zijn retour. De eerste generatie kinderen van gescheiden ouders, die – zie de films en romans hierboven - van jongs af aan het oeverloze gevecht van hun ouders hebben meegemaakt, hebben geleerd dat een vechtscheiding louter ellende en verliezers kent. Minister Donner van het CDA, zelf zon babyboomer, wil de wetten rond echtscheiding wijzigen en het ouders moeilijker maken van elkaar te scheiden. Hij vergeet dat de tweede generatie van gescheiden ouders het inmiddels anders aanpakt. Hij komt met maatregelen in een tijd waarin een scheiding weliswaar het einde van de huwelijksrelatie is, maar niet automatisch die van het gedeelde ouderschap - alle paniekverhalen in de media ten spijt.
Nee, de grootste druk op het gezin komt niet van de cultuur van de jaren zestig en het verwende hedonisme dat aan de zestigers wordt toegeschreven. Dat komt van elders. Het zijn sociaal-economische ontwikkelingen, niet de cultuur van de jaren zestig, die het gezin bedreigen. Zo is het opmerkelijk dat mensen die kinderen krijgen daar economisch de dupe van worden, in Nederland verhoudingsgewijs meer dan elders in Europa. Het modale gezin investeert gemiddeld meer dan een miljoen gulden en tien arbeidsjaren in de opvoeding van hun kinderen. Uiteraard doen ze dit geheel vrijwillig en meestal met veel plezier zonder de verwachting dat alles van ze wordt overgenomen. Integendeel, het goed grootbrengen van je kinderen kan voor de man of vrouw in kwestie een veel belangrijker middel tot zelfontplooiing zijn dan het maken van een carrière. Maar het is niet fair dat ze, vergeleken met het maken van een carrière, daarvoor in zon diep economisch dal terecht moeten komen.
De kindvrije fase voor en na het gezin is in economisch opzicht veel gunstiger dan de gezinsfase. De koopkracht gedurende het economisch gezinsdal is een kwart tot een derde lager dan in de fasen ervoor en erna. Dáár zou wat aan gedaan moeten worden, liefst in de vorm van maatregelen die vrouwen en mannen de vrijheid geven zelf te besluiten hoe ze de zorg voor kinderen willen regelen. Als vrouwen of mannen besluiten hun arbeidsparticipatie te verminderen om meer tijd aan de kinderen te besteden, in plaats van die zorg financieel aan deze of gene professional uit te besteden, dan moet dat kunnen zonder dat ze daardoor hun baan verliezen of door de overheid langs slinkse weg toch gedwongen worden de arbeidsmarkt op te gaan.
Voor verreweg de meeste gezinnen geldt dat ze niet echt noodlijdend zijn als ze in het gezinsdal terechtkomen, maar bij hen gaat het wel om de aantasting van de kwaliteit van het dagelijks bestaan. Financiële compensatie kan daarbij helpen, maar het verkleinen van de afstand tot het consultatiebureau of naschoolse kinderopvang kan dat ook, om maar niet te spreken van de noodzaak onregelmatige diensten te draaien of de verslechtering van de economische positie van parttimers. Waarom bijvoorbeeld niet de primaire verzorger van het kind een jaarlijkse toelage geven? Hij of zij mag zelf besluiten hoe dat wordt besteed: ofwel aan het verbeteren of in stand houden van de opleiding tijdens de opvoeding van het kind, ofwel aan het op peil houden van het pensioen, ofwel aan de financiering van professionele zorg omdat men een baan heeft die men niet verliezen wil.
Ik begon dit stuk met de vraag Wie zorgt er voor de kinderen? Dat zijn in hoofdzaak de biologische ouders van het kind. Meestal is het nog steeds de moeder die voor de kinderen zorgt. Maar we leven in een tijd waarin dit niet meer natuurlijk zo is. We vinden dat mensen ongeacht sekse, huidskleur of klasse het recht hebben een leven te zoals hen dat goed dunkt. Natuurlijk moet dat een verantwoord leven zijn en dienen mensen de kosten te dragen van hun eigen keuzen. Maar die kosten moeten wel eerlijk zijn en niet disproportioneel laag of hoog. Een van de grootste feilen van onze samenleving is dat we neerkijken op alles wat met zorg te maken heeft. Dat komt voor een deel omdat verzorgende beroepen in hoofdzaak door vrouwen worden verricht. De salarissen zijn er te laag, de opleidingen stellen te weinig voor. Zoals van Aartsen, voormalig fractievoorzitter van de VVD, opmerkte, toen hij naar de mogelijkheden van tussenschoolse kinderopvang werd gevraagd: Waarom uitkeringstrekkers niet dwingen het te doen? Zolang zo over de zorg wordt gedacht, hebben we reden ons zorgen te maken.
Bibliografische noot: ik heb voor het schrijven van dit stuk zwaar geleund op Bas Blokkers bespreking van Nobody Knows en Demi-tarif in de NRC van vrijdag 21 januari 2005. Daarnaast heb ik veel gehad aan het artikel De rode familie en het paarse gezin van Olga Fles in Socialisme en Democratie (nummer 9, 2001). Het idee van een jaarlijkse toelage komt van Anne Alstott die haar voorstel uitvoerig toelicht en beargumenteert in No exit. What parents owe their children and society owes parents. (Oxford Univesity Press, 2004)
