Doe-het-zelvers creëren draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking
Marcia Luyten verbaast zich in een boeiend betoog over de in haar ogen onterechte opleving van de waardering van particuliere initiatieven voor ontwikkelingshulp. Dat is immers een vorm van hulp die aantoonbaar weinig bijdraagt aan echte ontwikkeling en de professionals eigenlijk maar hinderlijk in de weg loopt. We hadden toch afscheid genomen van de projectsteun? Waar komt het applaus van politici voor de terugkeer van deze hulp – en nog wel in amateurversie – dan vandaan, zo vraagt Luyten zich af.
Toch is de hernieuwde aandacht vanuit de politiek voor particuliere initiatieven niet zo verbazingwekkend. De reden voor de opleving ligt niet zozeer in de grote effectiviteit van dit soort hulp, want Luyten heeft gelijk wanneer ze stelt dat daar nogal wat aan schort. De reden voor het feit dat verstandige politici met een hart voor ontwikkelingssamenwerking de particuliere projecten omhelzen, heeft alles te maken met het zoeken naar draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking.
Op het eerste gezicht kopen arme mensen in arme landen weinig voor dat draagvlak, maar indirect is het ook voor hen van levensbelang. De belangrijkste kurk waar ons – toch vrij omvangrijke en volledig uit belastinggeld opgehoeste – budget voor armoedebestrijding op drijft, is democratisch draagvlak. En juist dat laatste verdwijnt de afgelopen jaren in verontrustend tempo. Waar het eens de trots van de natie was, dreigt ontwikkelingssamenwerking langzaamaan terecht te komen in de hoek waar de klappen vallen. Er is ogenschijnlijk nog geen reden tot wanhoop, want ondanks de aanhoudende kritiek laten peilingen zien dat Nederlanders het geven van hulp nog steeds vanzelfsprekend vinden. En ook in de politiek tornt niemand serieus aan de 0,8% van het BNP die wij jaarlijks aan hulp besteden. Wie dus de opiniepeilingen analyseert en de politieke debatten volgt, komt tevreden tot de conclusie dat ons ontwikkelingsbudget hoegenaamd niet in gevaar is.
Maar tevreden achterover leunen zou onverstandig zijn; de onderzoeken verdoezelen de waarheid van de keukentafel. Iedereen die wel eens op feestjes en verjaardagen over ontwikkelingshulp spreekt, weet dat ónder die ogenschijnlijke vanzelfsprekendheid en achter het politieke taboe – de 0,8 is heilig en wie eraan tornt is een schoft – de kritiek aanzwelt en de onvrede groeit. De opkomst van woorden als ontwikkelingsmaffia zijn exemplarisch voor die onvrede. Het geeft het gevoel van veel mensen treffend weer.
Waar hebben we dat eerder gezien? De parallellen met de ondergang van het multiculturalisme zijn treffend. Jarenlang was de multiculturele samenleving in Nederland een stilzwijgende vanzelfsprekendheid en een politiek taboe, maar in de wijken groeide de onvrede. De logica van de keukentafel brak uiteindelijk door die taboes heen. En toen de taaie maar flinterdunne laag van vanzelfsprekendheid en taboe eenmaal was doorbroken, bleek daaronder een groot gat te gapen en was er geen houden meer aan. In minder dan twee jaar keerde het tij voor de voorvechters van de multiculturele samenleving. Een zelfgenoegzaam establishment veranderde in dolers door een dorre woestenij van omgekeerde politieke correctheid en intolerantie.
Ditzelfde scenario is niet ondenkbaar voor ontwikkelingssamenwerking. Onder de vanzelfsprekendheid van “de 0,8” zit inmiddels nog maar bar weinig echte draagkracht. En als we die leegte dus niet snel vullen, als we niet snel aansluiting vinden bij de logica van de keukentafel, dan voorspel ik dat zodra de 0,8 bezwijkt, er geen houden meer aan is. Dan bevinden u en ik zich weldra in een politiek en maatschappelijk landschap dat we niet meer herkennen.
Het is essentieel om een substantieel draagvlak voor onze hulp aan arme landen overeind te houden. Dat draagvlak wordt niet gegenereerd door de professionals en wetenschappers die met mooie rapporten van de Wereldbank in de hand betogen dat “onze hulp geweldig effectief is, vooral wanneer ze in omstandigheden van good governance en met zoveel mogelijk coherentie via het multilaterale kanaal in de vorm van macrosteun wordt verstrekt”. Want dan is de keukentafel is allang afgehaakt. Die wijst naar Afrika en stelt dat dat werelddeel er na 500 miljard ontwikkelingshulp beroerder bijligt dan daarvoor. Dat heeft dus niet geholpen, is de logische conclusie. En breng daar maar eens wat tegenin. Iedereen die dat op een feestje probeerde, weet hoe vruchteloos het is.
Maar op datzelfde feestje zijn de particuliere helpers, net terug uit Ghana, Malawi of Burkina Fasso, wél de helden van de avond. Gelardeerd met indrukwekende fotos van schattige kinderen en indrukwekkende natuur, bindt hij of zij het gehoor aan zich met verhalen over concrete acties waarmee concrete mensen met naam en toenaam worden geholpen. Geen woord over de weggegooide hulpgelden, geen kritische vragen over de effectiviteit van de hulp, maar bewondering over zoveel inzet. Veelal levert zon feestje nog een spontane collecte op, waardoor er weer wat extra geld beschikbaar komt voor een mooi project. De helden van de avond slaan een brug tussen de keukentafel en de wereld ver weg; een brug die de veelgeroemde professionals steeds minder slaan.
Zo bekeken kan de particuliere kleinschalige hulp een belangrijke rol vervullen in het overeind houden van de betrokkenheid bij armoede elders. Met als belangrijkste resultaat het overeind houden – en wellicht uitbreiden – van die 4 miljard Euro die jaarlijks uit het overheidsbudget kan worden besteed aan Internationale Samenwerking. Voor dat doel heb ik best wat gemeenschapsgeld over.
Diederik Samsom is woordvoerder ontwikkelingssamenwerking voor de PvdA in de Tweede Kamer.
