Maatschappelijk verantwoord ondernemen: brug tussen links en rechts?
Deze conferentie heeft het motto gekregen Samen aan de slag voor een ondernemend Nederland. Met dat bevorderen van het ondernemen ben ik het van harte eens, maar dat samen aan de slag heeft wel een erg hoog padvindersgehalte. Eigenlijk boeit de vraag of er zoiets als links kapitalisme bestaat, mij meer. En als het bestaat, gaat het dan om iets meer dan een liefdevol bijgewerkte karikatuur van rechts kapitalisme?De vraag naar het bestaan van een links kapitalisme leidde mij via Google naar het manifest van de denktank Waterland. Dit manifest stelt onomwonden vast dat links behoefte heeft aan een nieuw groot, samenhangend en overtuigend verhaal. Maar de opstellers van het manifest zijn ervan overtuigd dat er ruimte is voor een eigen, sociaal-democratische invulling van het kapitalisme.
Wat zou zon links kapitalisme kunnen inhouden? Daarvoor ga ik eerst ruim dertig jaar terug in de tijd. Nijmegen, ondernemen en de PvdA: die drieslag roept in ondernemerskringen nog steeds herinneringen op aan de rede die premier Den Uyl in 1974 op uitnodiging van de christelijke werkgevers hield over socialisme en vrije ondernemingsgewijze productie (1). Wat was zijn verhaal en wat is ervan terecht gekomen?
Dat brengt mij vervolgens op de ontwikkeling van maatschappelijk verantwoord ondernemen als norm voor hedendaags ondernemen. Tot slot formuleer ik een paar suggesties voor de agenda van de PvdA.
Terugblik op Nijmegen 1974
De rede van Den Uyl heeft destijds in ondernemerskringen een verpletterende indruk gemaakt. De tekst nu nalezend lijkt mij de beeldvorming wat overdreven. Het onderwerp – socialisme en vrije ondernemingsgewijze productie – was door de organisatoren zelf gekozen. De aantekening dat daarover goed was nagedacht, vormde voor Den Uyl aanleiding om te vissen naar de beweegredenen om juist dit thema te kiezen: Wellicht de behoefte een hogepriester van de socialistische eredienst hier scharlakenrood te zien optreden? En in zijn slotwoorden klonk enig vilein door: In elk geval, meneer de voorzitter, als u zich in uw rede vol zelfverwijt hebt afgevraagd: zijn wij ondernemers in het algemeen niet te vriendelijk voor de overheid, wil ik toch niet besluiten zonder u mee te delen, dat u althans ten opzichte van deze regering van dit zelfverwijt ontslagen bent.
Over van de verpakking naar de inhoud van de rede. Den Uyl schetste als rode lijn een voortgaande vermaatschappelijking van het productieproces. Daardoor was volgens hem in 1974 niet meer sprake van de vrije ondernemingsgewijze productie, maar van een wapenstilstand tussen aan de ene kant wettelijke regelingen van de overheid waar het betreft de voorwaarden waarop het ondernemerschap wordt uitgeoefend, een bewust ingrijpen ook door de overheid via heffingen, subsidies, fiscale regelingen, prijspolitiek, ter kanalisering van het marktmechanisme, en aan de andere kant een gebleven vrijheid van beslissing, een manoeuvreerruimte van de ondernemingsleiding en de kapitaalverschaffers. Een verdergaande hervorming van de structuur van de onderneming plus verdergaande vermaatschappelijking van het productieproces achtte hij noodzakelijk om gezamenlijk het kapitaal te organiseren en de tegenstelling tussen werkgevers en werknemers op te heffen.
Waar ging het dan concreet om? Voor een deel om zaken die we inmiddels achterhaald vinden. Medezeggenschap van de werknemers over de investeringsbeslissingen is er nooit van gekomen, en dat is maar goed ook. Ervaringen met arbeiderszelfbestuur wijzen uit dat investeringen het zwakke punt zijn: daarvoor is ondernemingszin nodig, de lust om risicos te nemen en het vermogen deze goed te beheersen. De overheid heeft wel een aantal jaren gepoogd een bewuste industriepolitiek (sectorstructuurbeleid) te voeren. Maar in de jaren tachtig hebben we terecht afscheid genomen van dergelijke sturingsambities: een beleid van picking the winners werkt niet. En met zijn pleidooi voor een bewuste rem op het tempo van technische vernieuwingen in de economie sloeg Den Uyl de plank behoorlijk mis.
Maar daar staan beleidsrecepten tegenover die wel hout snijden en nog steeds actueel zijn. Dan denk ik met name aan het wegnemen van knelpunten voor investeringen in de vorm van omslachtige procedures en een wirwar van vergunningen; en het tegengaan van een onaanvaardbare belasting van het milieu door het in rekening brengen van maatschappelijke kosten bij de veroorzaker.
Bovendien gaf Den Uyl een treffende schets van de problematiek van de multinationale onderneming als primair een kwestie van tekortschietende beleidsintegratie: én vakbeweging én politieke partijen hebben [achterstand] laten ontstaan in het internationale economische integratieproces (…). De multinationale onderneming heeft een organisatie opgebouwd, waar democratische bestuursinstellingen nationaal en internationaal niet aan kunnen tippen. Dat pleit niet tegen de multinationale onderneming, maar het signaleert wel een fundamenteel tekort aan democratische controle. Let wel: Den Uyl sprak hier voordat de OESO zijn richtlijnen voor multinationale ondernemingen vaststelde (1976), in een periode dat de Europese integratie in een impasse verkeerde.
Hedendaags ondernemen is Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen
Alles bijeen leverde herlezing van de Nijmeegse rede uit 1974 een verrassend gemengd beeld op. Er is sindsdien zeker sprake geweest van een vermaatschappelijking van het ondernemen, maar wel deels langs andere lijnen dan destijds door Den Uyl geschetst. Sinds een aantal jaren spreken wij van maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO). Wat verstaan we daaronder? Met andere woorden: wat verwacht de maatschappij tegenwoordig van ondernemingen?
In de kern twee dingen, zo stelde de SER in zijn advies De winst van waarden (2000) vast:
a. Een voldoende gerichtheid van ondernemingen op de bijdrage aan de maatschappelijke welvaart op langere termijn, door waardecreatie in 3 dimensies: profit (financieel-economisch), people (sociaal) en planet (milieu). Daarbij vormt profit zowel basis als randvoorwaarde voor een goede zorg voor people en planet.
b. Het ontwikkelen en onderhouden van de relatie met stakeholders respectievelijk de maatschappelijke omgeving op basis van dialoog en openheid. Dit betekent dat de onderneming wordt gezien als een samenwerkingsverband van diverse belanghebbenden (waarbij werknemers en aandeelhouders tot de primaire belanghebbenden worden gerekend).
MVO is dus nadrukkelijk niet een extraatje. De zorg voor de maatschappelijke effecten van het functioneren van de onderneming behoort tot de core business van de onderneming. Daarbij is de onderneming onderhevig aan verschillende krachten: aan wat moet (vanwege regels én vanwege maatschappelijke verwachtingen), aan wat hoort (uit persoonlijke overtuiging) en aan wat loont (en dus, bijvoorbeeld door een betere reputatie, het eigenbelang dient).
Het is daarbij aan de overheid om duidelijk te maken wat moet danwel niet mag door heldere spelregels voor het economisch en maatschappelijk verkeer vast te leggen: door bepaalde activiteiten te verbieden of te binden aan bepaalde minimumnormen. Maar verder is het aan de afzonderlijke onderneming/ondernemer om in dit krachtenveld positie te kiezen en in interactie met de maatschappelijke omgeving te bepalen wat hoort en wat loont.
Suggesties voor een sociaal-democratische agenda
Terug naar de vraag wat een links kapitalisme kan inhouden. Als basis voor de verzoening tussen sociaal-democraten en kapitalisme ga ik uit van maatschappelijk verantwoord ondernemen. Hoe kan de PvdA komen tot een eigen invulling van het kapitalisme? Vier suggesties van mijn kant:
- Stevig participeren in het debat over goed ondernemingsbestuur (corporate governance), vanuit de invalshoek van de onderneming als samenwerkingsverband van verschillende stakeholders;
- Voorstellen doen die sociale innovatie in arbeidsorganisaties – en daarmee modern ondernemerschap en goed werknemerschap – bevorderen;
- Multinationale ondernemingen aanspreken op hun goede voornemens en op de maatschappelijke verwachtingen die onder meer in de OESO-richtlijnen zijn vastgelegd;
- Meewerken aan een nieuwe cultuur van regelgeving die uitgaat van vertrouwen in ondernemingen, en ondernemingen waar mogelijk ruimte laat in de keuze van middelen om aan doelvoorschriften (bijvoorbeeld op het terrein van milieu) te voldoen. Daarbij hoort dat als bedrijven het geschonken vertrouwen beschamen, ook hard wordt opgetreden, zonder al te tolerant gedogen.
Bovenstaande suggesties laten onverlet dat de discussie over links kapitalisme voortzetting verdient. Is het voorstelbaar dat een moderne socialistische partij het kapitalisme niet alleen tandenknarsend omhelst als het enig resterend werkbaar alternatief, maar ook accepteert als ethisch en moreel hoogstaander dan veel, zoniet alles wat onder de vlag van het socialisme in de aanbieding is gedaan?
Noot:
1. J.M. den Uyl (1978) Inzicht en Uitzicht – opstellen over economie en politiek, Amsterdam 1978, pp. 181-195.
Alexander Rinnooy Kan is voorzitter van de Sociaal-Economische Raad.
