Meedoen of normaal doen? Marokkaanse vrouwen en hun 'gebrek' aan participatie
Twee werelden?Meedoen en participatie zijn kernwoorden in de debatten voor de aankomende Kamerverkiezingen, maar ook in allerlei beleidsnotas (zie bijvoorbeeld www.doemee.nl). Het meedoen van verschillende groepen, vooral van vrouwen en allochtonen, wordt sterk geproblematiseerd. Zo stelt journaliste Margalith Kleijwegt in haar boek over de onzichtbare ouders van vmbo-scholieren in Amsterdam, waarvan veel ook Marokkaans zijn: Het isolement waarin veel mensen leven, baart me grote zorgen. Die eigen wereld die weinig of niets te maken heeft met de onze.
Op basis van mijn onderzoek naar Marokkaanse eerste-generatie vrouwen in Delfshaven, stel ik dat de wereld van deze vrouwen juist heel veel met de onze te maken heeft. Een tegenstelling tussen beide is onterecht en geeft een valse voorstelling van zaken. Hun wereld is deel van de onze en de onze deel van die van hen. Deze vrouwen zien op televisie hoe autochtonen oordelend spreken over Marokkanen in het algemeen, over zichzelf, maar vooral ook over hun zoons. Deze vrouwen zijn zich uiterst bewust van het debat dat over hen wordt gevoerd en waaraan zij zelf nauwelijks deel kunnen nemen. Dat bleek ook wel toen ik in vrijwel alle interviews met de vrouwen de bal kreeg teruggekaatst: Dat is bij jullie toch ook zo?
Ze hebben dagelijks te maken met de gevolgen van het gevoerde debat in beleidsmaatregelen. Deze vrouwen worden op straat gefilmd door surveillance-cameras, opgezocht door gemeentelijke welzijnsdiensten, moeten zich, terecht of onterecht, steeds vaker melden bij de Sociale Dienst, het Centrum voor Werk en Inkomen of de gemeente. Ze worden opgezocht door de belastingdienst, door de school van de kinderen waar ze moeten participeren en door het buurthuis dat zich zorgen maakt over Marokkaanse vrouwen in isolement en zogeheten culturele contrasten.
Doe normaal!
Het gaat in het huidig debat en beleid niet om een neutrale stimulans tot participatie, maar om sterk normatieve maatregelen die gericht zijn op hóe deze vrouwen participeren. Een Marokkaanse vrouw met kinderen en een uitkering doet, in tegenstelling tot wat vaak wordt geloofd, wel degelijk mee. Zij heeft verschillende malen per week contact met street level bureaucraten en welwillende hulpverleners die haar controleren en van haar een goede burger willen maken. Van een gebrek aan meedoen of participatie is in de meeste gevallen op zichzelf geen sprake. Het is de manier van participeren die niet voldoet aan de maatstaven van politici en beleidsmakers. Meedoen in een netwerk met Marokkaanse vrouwen, praten met een Kaapverdiaanse buurvrouw of vrijwilligerswerk doen bij een migrantenzelforganisatie telt niet mee in het participatie-debat. Ze moeten Nederlands praten, met hun autochtone buurvrouw spreken en betaald werken. Alleen deze vorm van meedoen telt. Dat wil zeggen, voor allochtonen. Als ik, als autochtoon, alleen met andere autochtonen met een hoge opleiding communiceer, nooit investeer in de buurt waar ik woon en, wanneer ik kinderen krijg, weiger nog verder betaald te werken, is er geen gemeentelijke dienst of welzijnswerker die zich zorgen maakt over mij en mijn emancipatie en mij in een participatie-traject laat deelnemen. Meedoen is dus normatief, specifiek en asymetrisch.
Natuurlijk participeren relatief weinig eerste-generatie Marokkaanse vrouwen op de arbeidsmarkt, spreken zij vaak weinig Nederlands en nemen zij niet altijd deel aan ouderavonden. Er zijn reële verschillen op deze vlakken tussen autochtone en Marokkaanse vrouwen. Maar daarmee staat hun leven nog niet los van de rest van de samenleving. Een dergelijke groteske en overdreven voorstelling van zaken gaat onder andere voorbij aan de dagelijkse gevolgen die de vrouwen ondervinden van het integratiedebat en de neerslag daarvan in beleid. Het leven van deze vrouwen, misschien zelfs op dagelijks niveau, wordt sterk beïnvloed door het feit dat hun gedrag door autochtone Nederlanders als problematisch wordt ervaren. Ook al kijken deze vrouwen naar Marokkaanse televisie en spreken zij Berbers of Arabisch met hun kinderen, is hun wereld veel meer verbonden met de Nederlandse samenleving dan vaak in beleid en onderzoek wordt voorgesteld. Die voorstelling van zaken legitimeert echter een indringend ingrijpen in de levens van deze vrouwen met het doel hen en hun families te disciplineren. Het devies is niet langer: doe mee!, maar: doe normaal! Het gaat dus verder: als je meedoet, maar niet zoals politici en beleidsmakers dat willen, doe je niet mee.
Dit is geen gewone les meer!
Soms bieden vrouwen verzet tegen het debat en de pogingen tot disciplinering. Ter illustratie wil ik hier een voorlichtingsbijeenkomst van de Roteb beschrijven, omdat het laat zien dat deze vrouwen niet onwillig of willoos zijn. Deze gemeentelijke dienst, die verantwoordelijkheid heeft over buitenruimten en vuilverwerking, verzorgt voorlichting bij taalcursussen. Deze voorlichting duurt zes dagdelen en werd onder andere gegeven voor een groep Marokkaanse vrouwen. Ik was voor mijn onderzoek zes maanden bij deze groep aanwezig.
De voorlichtster van de Roteb introduceerde zich en de sfeer in de groep was meteen onrustig. De vrouwen klaagden: zij willen gewoon Nederlands leren, waarom komen er telkens mensen op bezoek om dingen te vertellen? Dit is geen les meer! Dan dit, dan dat! Wij moeten heel veel dingen! Er zijn steeds andere mensen bij. Dit is geen gewone school hoor! De voorlichtster vertelde: De Roteb is natuurlijk voor afval en schoonmaken van buitenruimte, maar in deze voorlichting gaan we het over nog veel meer hebben. Het gaat 6 ochtenden over wonen in Rotterdam in het algemeen. Dus niet afval alleen. Ook over stemmen, deelgemeenten, buren, culturen en hoe je met elkaar omgaat. Een aantal vrouwen keek wantrouwig en een van hen reageerde: U hoeft ons niets te vertellen. Wij weten alles al. Wij zijn schone mensen!
Er werd hard gelachen en geknikt door de andere vrouwen. De voorlichtster reageerde hierop door te zeggen dat ze dat natuurlijk weet en helemaal niet wil suggereren dat ze te maken heeft met vieze vrouwen, maar dat niemand alles kan weten en dat je dus ook kunt leren van haar. Ze vroeg als voorbeeld: Weten jullie bijvoorbeeld het telefoonnummer dat je moet bellen voor grofvuil? Dezelfde vrouw antwoordde: Ik heb toch een gouden gids? Ik kan het toch opzoeken? Naast het feit dat het op zijn minst opmerkelijk is dat een vuilverwerkingsdienst over kiesrecht en integratie komt spreken, voelden deze vrouwen zich aangesproken en herkenden zij de voorlichting als een poging tot disciplinering. Ze hebben soortgelijke incidenten vaker meegemaakt en plegen verzet. Het is deze mondigheid en deze zelfstandigheid die niet wordt gezien in het huidig debat, maar die wel een basis biedt voor verdere emancipatie.
De retoriek van herovering
Indringend beleid in de persoonlijke levenssfeer (het nieuwe paternalisme), zowel als het debat over het stimuleren van overbruggende contacten en spreiding van kansarmen teneinde meer integratie te bereiken, zijn onderdelen van een retoriek waarin de stad heroverd, opnieuw geclaimd, moet worden op de asocialen en kansarmen (1). De kansarmen (waarmee vrijwel altijd allochtonen en specifieker nog: moslims worden bedoeld) bepalen het stadsbeeld, zo is het idee. Of, om met Marco Pastors te spreken: op de Lijnbaan zie ik bijna geen Nederlanders meer. Breed gedeeld is het verlangen dat in de straten van Nederlandse steden weer normale mensen lopen. Het stadsbeeld moet in het dominante discours kortom weer samenhangend en Nederlands worden.
De initiatieven tot overbruggende contacten en spreiding worden vooral opgezet om dit te bewerkstelligen. Het gaat in eerste instantie, alle goede bedoelingen ten spijt, niet om het luisteren naar kansarmen om hen te ondersteunen en te stimuleren, maar om burgers te creëren die meer voldoen aan onze Nederlandse waarden en normen. Het burgerschap en de positie van Marokkaanse vrouwen wijkt af van wat politici en beleidsmakers wenselijk achten. Zo zouden ze hun zoons te slap opvoeden en hun dochters te streng. Daarom worden pogingen ondernomen hen te disciplineren, hen te leren goede, normale ouders en burgers te zijn. Omdat de focus ligt op het sterke normatieve doe normaal, en niet op een neutraler doe mee, verliezen we het zicht op de pogingen van groepen zelf aansluiting te vinden en op de manieren waarop hun wereld verbonden is met de onze. Achterstand en de etnische problematiek staan centraal, niet het potentieel van vrouwen, hun verzet en hun ervaring.
Taalcursussen voor oudkomers
Een vlak waarop duizenden Marokkaanse vrouwen in Nederland zoeken naar aansluiting en meedoen zijn taalcursussen voor oudkomers. De vrouwen die deelnemen aan mijn onderzoek volgen allen lessen Nederlands, in een buurthuis, bij een migrantenzelforganisatie of op de school van hun kinderen. Sommige van deze vrouwen zijn al lange tijd in Nederland zonder de taal te spreken. Nu kan in de achterstandswijken op onwaarschijnlijk veel plekken een cursus gevolgd worden. Tot voor kort was daar veel minder gelegenheid toe.
De vrouwen zelf waarderen de taallessen vooral vanwege hun emancipatoire karakter. Deze vrouwen emanciperen ten opzichte van hun echtgenoot en familie, maar kunnen en willen vooral ook emanciperen ten opzichte van de staat. Ze willen zich kunnen verdedigen bij de Sociale Dienst, zelf kunnen vragen om een beter huis bij de woningbouwcorporaties en hun fysieke klachten zelf aan de huisarts kunnen vertellen. Daarom zijn de huidige cursussen in hoge mate samengesteld om aan te sluiten bij de leefwereld van de vrouwen zelf. Serieuze pogingen om deze vrouwen te ondersteunen zijn dus wel ondernomen. Maar zolang bij deze taalcursussen wordt uitgegaan van de achterstand van deze vrouwen en niet van hun potentieel en ervaring, zal de emancipatoire werking van taal niet echt worden benut. Sterker, deze initiatieven kunnen contraproductief zijn wanneer vrouwen wordt gewezen op hun vermeende onderdrukking en isolement en zij daarop defensief reageren.
In het achterstandsdenken ligt een behoorlijke nadruk op etniciteit. Zo dreigen subsidies weg te vallen voor migrantenzelforganisaties die in een veilige omgeving de vrouwen doceren en emanciperen. Deze krachtige initiatieven ten spijt, zijn deze activiteiten minder subsidiabel omdat zij niet multi-etnisch zijn. Achterstand, etnische concentratie en disciplinering zijn dan leidraad van beleid en niet de emancipatie en participatie van deze vrouwen.
Focus op zelfstandigheid in plaats van discipline
Alle taallessen kennen een component zoals maatschappelijke oriëntatie. Vaak wordt dit niet opgevat als een lesonderdeel waarin de vrouwen wordt gevraagd wat zij in de Nederlandse maatschappij zouden willen doen, maar als mogelijkheid om de vrouwen te disciplineren. Ze krijgen opvoedingstips en moeten in een groep discussiëren over hun echtgenoten. Deze vrouwen hebben niet de keus om Nederlands te leren zonder deze disciplinerende onderdelen. Meer neutrale cursussen bestaan niet. Alleen Nederlands leren is geen optie. Bij voorbaat wordt uitgegaan van de achterstand van deze vrouwen, niet alleen op het gebied van taalbeheersing, maar ook voor wat betreft kennis en kunde op andere gebieden, zoals opvoeding, geschiedenis en aardrijkskunde. Hun achterstand, hun emancipatie ten opzichte van hun mannen en hun falen als ouder vormt de basis van het aanbod voor oudkomers, in plaats van hun kansen, emancipatie ten opzichte van de staat, kracht en ervaring. Er is weinig aandacht voor de capaciteiten van deze vrouwen om zichzelf te ontplooien op de manier die zij zouden willen. Zeker jonge vrouwen, met potentieel kansen in Nederland, willen een focus op wat ze wel kunnen, op hun zelfstandigheid en hun potentieel, in plaats van hun vermeende achterstand. Pas dan wordt emancipatie en participatie werkelijk ondersteund.
Noot:
1. Zie bijvoorbeeld Engbersen, G., Snel, E., Weltevrede, A. (2005) Sociale herovering. Een verhaal over twee wijken. Den Haag: WRR. Zie ook de literatuur over stedelijk revanchisme, bv. Smith, N. (1996) The New Urban Frontier. Gentrification and the Revanchist City. London: Routledge.
Marguerite van den Berg is als sociologe verbonden aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Begin 2007 verschijnt bij Aksant haar boek Dat is bij jullie toch ook zo? Gender, etniciteit en klasse in sociaal kapitaal van Marokkaanse vrouwen in Rotterdam.
