Waterlanders
Ik krijg een beetje waterlanders van het Sociaal-Kapitalistisch Manifest (SKM). Het is zo nostalgisch, alsof we terug verlangen naar de snorrende kolenkachel en we ons allemaal veilig wanen achter de dijken. Bij de presentatie van het manifest sprak Paul de Beer niet voor niets over een contra-revolutie tegen het neo-liberalisme. Het heeft iets van terug in de tijd. Bij mij roept het herinneringen op aan Alexander Dubçek – de Tsjechoslowaakse communistische partijleider die voorstander was van socialisme met een menselijk gezicht. U herinnert zich hoe het met Dubçek in het revolutiejaar 1968 is afgelopen.Het is lastig om iets onaardigs over het SKM te zeggen, want het is zon vriendelijk verhaal. Kapitalisme met een menselijk gezicht, daar kun je niet tegen zijn. Niemand is voor een onmenselijk gezicht of voor anti-sociaal beleid. Nou ja, bijna niemand dan. Toch heb ik bezwaren. Ik richt me daarbij op drie punten.
1. Het Rijnlandse model
De twee protagonisten van het Rijnlandse model zijn Duitsland en Frankrijk. Tussen de sociaal-economische stelsels van die landen bestaan grote verschillen. Duitsland heeft de traditie van de soziale Marktwirtschaft van Ludwig Erhard en van ondernemingsbestuur met Mitbestimmung van de vakbonden. De banken hebben meer invloed op de bedrijven dan de vermaledijde Angelsaksische kapitaalmarkten. Frankrijk kent een dirigistische overheid, sterke vakbonden in de publieke sector (en veel stakingen die het openbare leven stilleggen om de belangen van de insiders te beschermen) en een economisch beleid dat geschraagd wordt door de raison detat. De verwevenheid van de overheid met het bedrijfsleven leidt tot schandalen. Lees La Putain de la République van Christine Deviers-Joncour. Daarnaast wordt Frankrijk gekenmerkt door een diep gevoel van somberheid en morosité. Dus zijn deze twee landen nou zulke lichtende voorbeelden? Beide landen zijn overigens heel voorzichtig bezig hun Rijnlandse model te hervormen. Alleen al de moeite die dat kost en de weerstanden die dat oproept, geeft mij te denken.
Het is net als met het Zweedse model. Wouter Bos omarmde dat net op het moment dat de Zweden begonnen de tekortkomingen van hun eigen model te bekritiseren en er in politieke zin van afstapten. Bos hoor je er trouwens niet meer over. Des te opmerkelijker dat Kees Vendrik van GroenLinks bij de presentatie in De Balie een pleidooi hield voor het Scandinavische model van arbeidsparticipatie. Ik denk dus – Mark Twain parafraserend – dat de oproep tot het nieuw leven inblazen van het Rijnlandse model overdreven en achterhaald is. Het bedrijfsleven zit er in ieder geval niet op te wachten. Ondernemers zijn met heel andere dingen bezig. De risico-cultuur is niet iets waar het Sociaal Kapitalistisch Manifest oog voor heeft.
2. De zeven mythen
Het Manifest noemt zeven mythen die door de neoliberale marktideologie zijn ingegeven. Ik houd niet van de term neoliberaal. Het klinkt pejoratief en maakt verkeerde associaties. Je kunt wel van mening zijn dat als de markt faalt de overheid moet ingrijpen, maar je kunt ook het omgekeerde zeggen. Overheden kunnen ook falen – en hoe. En wat doen we dan? Dan roepen we om meer overheid. Dat is niet consistent. Eerlijk gezegd voel ik me meer thuis bij het begrip links liberaal, zoals de Waterland Stichting zich noemt. Maar veel liberalisme kom ik in het Manifest niet tegen. Ik zou het eerder neocorporatistisch noemen.
Het is niet moeilijk om de zeven zekerheden van het hedendaagse kapitalisme van kritische kanttekeningen te voorzien. Maar daarmee worden ze nog geen mythes. Ik wil er wel voor uitkomen: ik ben een kritische aanhanger van deze mythen. Laat ik er twee uit pikken. Economische groei. Die is even onmisbaar als je een sociaal rechtvaardige samenleving wilt financieren als rijzend bakmeel in taartdeeg. Lage groei betekent minder overheidsinkomsten, minder geld voor sociale zekerheid en voor publieke goederen. De lage economische groei in de afgelopen vijf jaar betekende dat de schatkist tientallen miljarden euros gederfd heeft waarop in het behoedzame groeiscenario wel was gerekend. Alle maatregelen van het kabinet Balkenende, het asociale afbraakbeleid, kun je terugbrengen tot één probleem. Door de economische stagnatie was er onvoldoende groei van de publieke financiering van de verzorgingsstaat. India en China. Deze landen vormen geen bedreiging – daar ben ik het mee eens. Nederland, zo heeft het vermaledijde kabinet laten uitrekenen, heeft er zelfs baat bij. Wat wil je, met de een-na-grootste haven van de wereld. Het moet ons ook tot vreugde stemmen dat deze landen erin slagen honderden miljoenen mensen uit de armoede te tillen. Dat gebeurt overigens niet volgens het model van onze ontwikkelingssamenwerking. En je moet er ook de kanttekening bij plaatsen dat het niet gebeurt langs de lijnen van het zachte sociaal-kapitalistische model.
Maar je kunt de betekenis van de opkomst van India en China niet bagatelliseren, zoals het manifest doet. Die betekenis is op alle terreinen aanwezig en kan niet genoeg beklemtoond worden. China zorgt voor een onstuitbare productie van steeds meer en goedkopere consumentengoederen. De verplaatsing van back office activiteiten naar India zorgt voor lagere administratieve kosten. Met name de import van Chinese goederen heeft een grotere invloed op onze koopkracht dan het micro-management van het inkomensbeleid in Den Haag.
China bepaalt met zijn besparingen (te danken aan zijn handelsoverschotten) tot op grote hoogte de internationale renteniveaus. En daarmee indirect ook die op de Nederlandse kapitaal- en huizenmarkt. Dat levert een groter voordeel op dan de hypotheekrenteaftrek. En het maakt daarmee de politieke discussies over de beperking van de hypotheekrenteaftrek (ook al ben ik daar voorstander van) enigszins lachwekkend.
Tot slot: China heeft een dempend effect op de looneisen in Nederland. Een miljard mensen dat zich aanbiedt om te integreren in de wereldwijde arbeidsmarkt – dat werkt door. Niet rechtstreeks, we hoeven er echt niet bang voor te zijn dat Nederlandse lonen naar één euro per dag zullen zakken. Maar het matigt de opwaartse druk tot loonstijgingen. Het gaat bij China en India om de snelheid van verandering, de connectiviteit met de snelheid van het licht en de aantallen mensen. De impact daarvan doet me denken aan een van de lessen uit de marxistische leerboekjes van het dialektisch materialisme: kwantiteit slaat om in kwaliteit.
3. Volgens het manifest zijn de twee grootste problemen waarmee Nederland te maken heeft
het gebrek aan productiviteitsstijging en de afbrokkelende sociale bescherming. Bij de productiviteitsstijging wil ik een kanttekening maken. Output wordt, zoals bekend, bepaald door het arbeidsaanbod maal de arbeidsproductiviteit. Nu stagneert in Nederland (en in Europa) het arbeidsaanbod door de ontgroening van de bevolking. Daar valt op korte termijn niets aan te veranderen en op lange termijn waarschijnlijk ook niet. Ik denk niet dat we staan te wachten op vloedgolven nieuwe migranten. De Nederlandse productiviteit per uur behoort tot de hoogste ter wereld. De productiviteit per hoofd van de bevolking is niet zo hoog, maar dat heeft te maken met bekende fenomenen als deeltijdwerk en uitsluiting. Overigens heeft het CBS onlangs de cijfers van de economie, en daarmee ook van de productiviteit, naar boven bijgesteld. Ze blijken hoger te zijn dan werd aangenomen. Dit heeft merkwaardig genoeg nauwelijks aandacht gekregen en ik heb er nog geen enkele – linkse of rechtse – politicus over gehoord.
Hoe het ook zij: als je er in slaagt om de arbeidsproductiviteit met enkele tienden van procentpunten te verhogen, mag je al blij zijn. Het vergt een enorme investering, en het effect daarvan moet je niet overschatten. De belangrijkste bijdrage aan de Nederlandse economische groei komt nog altijd van de groei van de wereldhandel. Het CPB hanteert de vuistregel dat 1% groei van de wereldhandel zich vertaalt in 0,3% groei van het bbp. Dus als we meer welvaart willen of de sociale zekerheid in stand willen houden, moeten vooral die Chinezen verder groeien. Wij profiteren daarvan.
Hoe moet Nederland die twee grootste problemen aanpakken? Daarvoor stelt het Manifest zeven alternatieven voor. Ik denk: met die alternatieven zul je de beoogde doelen – hogere productiviteit en meer sociale bescherming – zeker niet bereiken. Wat je er wel mee bereikt, zou ik de zeven wanklanken willen noemen, namelijk:
- demping van concurrentie
- beperking van innovatie
- vlucht van bedrijvigheid
- vlucht van vermogen
- vergroting van de armoedeval
- stagnatie van de economie
- sluiting van de nationale luiken
Deugt er dan helemaal niets aan dit antwoord op The Wealth of Nations en het Communistisch Manifest? Vooruit, één punt. Het voelt de tijdgeest goed aan. Het ademt de geest van keine Experimente, de verkiezingsslogan van Konrad Adenauer, de Westduitse CDU-politicus uit de jaren vijftig van de vorige eeuw. Die kreet heeft het CDA van JP Balkenende zich anno 2006 geheel eigen gemaakt. En het ademt de geest van 'Een beter Nederland voor hetzelfde geld', de campagneslogan van de SP. Met andere woorden: het Manifest preludeert op een sociaal-conservatieve coalitie van de twee vermoedelijk grote winnaars van de komende parlementsverkiezingen, het CDA en de SP. En daarmee luidt het toch een nieuw tijdperk in.
Roel Janssen is redacteur van NRC Handelsblad.
