Bescherming kost banen
Als ondernemer in kunst en cultuur vind ik veel van wat Paul de Beer in NRC Handelsblad (9 april 2006) zegt sympathiek, zeker waar het gaat om het belang van geluk ten opzichte van geld, alsmede zijn kritiek op het Amerikaanse Rodeokapitalisme. Desalniettemin vind ik een aantal zaken zeer eenzijdig belicht.Wanneer de Beer schrijft over het arbeidscontract en hoe er van beide kanten geïnvesteerd moet worden, klinkt dit idylisch en zou men kunnen denken dat deze relatie gelijkwaardig is als het gaat om rechten en plichten. Als de werknemer echter verdwijnt naar een andere bedrijfstak, nadat de werkgever in hem heeft geïnvesteerd (ivm een eventueel concurentiebeding), heeft de werkgever het nakijken. En dit is nog maar het topje van de ijsberg.
Loek Hermans zei daarover onlangs: Degene die voor het eerst iemand in dienst neemt, wordt eigenlijk vader. Veel starters die best een wat groter bedrijf zouden willen hebben, haken daarom af. Zo gaat veel werkgelegenheid verloren die bij minder stringente voorwaarden en minder bureaucratie behouden had kunnen blijven.
Niettemin heeft het MKB bewezen nog steeds de banenmotor van West-Europa te zijn. Het trieste is echter, dat, zolang het werkgevers niet makkelijker wordt gemaakt om arbeidsplaatsen te creeëren, de kleinere bedrijven zullen verdwijnen. De grote ondernemingen en daarmee het grootkapitaal (waar De Beer toch duidelijk geen vriend van is) zullen meer en meer de overhand krijgen zonder dat hetzelfde aantal arbeidsplaatsen terugkomt.
In Frankrijk is het overigens nóg veel lastiger om werkgever te zijn dan in Nederland.
Als gevolg houden veel bedrijven van babyboomers er daarom mee op of verkassen naar Engeland of de VS. Dat is een groot gemis, want arbeid integreert en socialiseert. En dat is een buitengewoon grote, toegevoegde waarde die net zo goed onder de noemer Geluk kan vallen als onder de noemer Geld!
Toegegeven: het is erg moeilijk om een evenwicht te vinden tussen enerzijds het marktkapitalisme - waar de werknemer wordt behandeld als een commodity (zie ook No Logo van Naomi Klein), en anderszijds een volstrekt verstarde verzorgingsstaat die niet meer in staat is om arbeidsplaatsen te creeëren. Maar er is nu eenmaal een duidelijke samenhang tussen de souplesse van het arbeidsrecht en het werkloosheidspercentage. Daarin is Frankrijk de slechtste en Engeland de beste leerling van de klas. Ook de Beer kan er niet omheen dat in het kapitalistischer Engeland de werkloosheid de helft is van die in Frankrijk.
Paul de Beer schrijft: en wat als we het dan toch met wat minder economische groei moeten doen? Prima! Alleen is het probleem dat de West-Europese verzorgingsstaten eigenlijk al enige tijd geen wezenlijke economische groei én geen banengroei meer kennen. De solidaire en egalitaire samenleving die de meeste mensen volgens De Beer niettemin zouden willen, laat onverlet dat de burger bij het boodschappen doen het meest concurrerende produkt kiest (veelal niet uit West-Europa) en vervolgens als werknemer de maximale bescherming wil tegen deze boze buitenwereld.
Dat is wellicht op te lossen door markten te reguleren. (De Beer is een voorstander van marktregulering.) Maar is deze vorm van solidariteit eigenlijk niet een soort eigen volk eerst? Moeten wij niet solidairder zijn met de bevolking van landen die een welvaartsachterstand van meer dan vijftig jaar heben en beschikken over een goed opgeleide beroepsbevolking, in plaats van solidair te zijn met niet-gediplomeerde schoolverlaters die verwachten dat wij hun uitkering bekostigen omdat er voor hen geen werk is? Indien het laatste blijft gebeuren, zou de Nederlandse bevolking dan ook de economische achteruitgang accepteren die daar het onvermijdelijk gevolg van is?
Joop Klinkhamer is Adviseur voor de Zelfstandige Ondernemer te Amsterdam
